Voor elke mediawijsheidscompetentie kun je kennis, vaardigheden en attitudes formuleren, afhankelijk van de doelstellingen, doelgroep en de context.  Denk daarom goed na over wie wat in welke situatie nodig heeft, wat er nog ontbreekt en waar je kan ondersteunen.

Bij wijze van voorbeeld hebben we hieronder per competentie kennis, vaardigheden en attitudes uitgewerkt (K,V,A). Op basis hiervan kan overgaan worden tot de ontwikkeling van mediawijsheidsinitiatieven en het meten van de impact ervan. Maar de effectieve doorvertaling blijft afhangen van jouw initiatief, het doel en de doelgroep.

Bedienen
K: Je weet hoe de belangrijkste media werken
V: Je kunt de belangrijkste media gebruiken
A: Je staat positief ten opzichte van wat je nog niet weet over media

Navigeren
K: Je weet welke media je het best gebruikt voor welke activiteiten
V: Je kunt de media selecteren in functie van je doel, doelgroep en context
A: Je staat positief ten opzichte van de mogelijkheden die media kunnen bieden

Organiseren
K: Je weet hoe je media kan opslaan, structureren of terug vinden
V: Je kunt media opslaan, structureren of terug vinden
A: Je staat positief ten opzichte van het snel en gemakkelijk terugvinden van media

Produceren
K: Je weet hoe je tekst, foto, video, audio, games, websites, … kan maken of verwerken tot iets nieuws
V: Je kunt tekst, foto, video, audio, games, websites, … maken of verwerken tot iets nieuws
A: Je staat positief ten opzichte van het zelf maken en aanpassen van media

Observeren
K: Je weet dat elk medium eigen gebruikers, een eigen taal, vorm en functie heeft.
V: Je ziet hoe media van elkaar verschillen op vlak van gebruikersprofielen, taal, vorm en functie.
A: Je staat positief ten opzichte van de eigenheid van elk medium

Analyseren
K: Je weet hoe je meer kan te weten komen over de gebruikers, de taal, de vorm en de functie van elk medium
V: Je kunt de gebruikers, de taal, de vorm en de functie van elk medium achterhalen
A: Je staat positief ten opzichte van het kritisch nadenken over media

Evalueren
K: Je weet waarop je moet letten om media te evalueren naar relevantie en betrouwbaarheid
V: Je kunt media evalueren naar relevantie en betrouwbaarheid
A: Je staat positief ten opzichte van het bewust met media om te gaan

Reflecteren
K: Je weet wat je in bepaalde media beter wel of niet doet of kan
V: Je kunt de tekortkomingen in je eigen gedrag en dat van anderen aanduiden en bijwerken waar nodig
A: Je staat positief tegenover reflectie op het eigen mediagedrag


Bron: Mediawijs.be

single image